zondag 9 juli 2017

Wielrennen is voor mannen

Van de week zag ik op Twitter een stukje tekst uit het AD dat wielrennen alleen voor mannen zou zijn. Dit was een ingezonden stukje van een man. Belachelijk vond hij het: vrouwen die bij De Avondetappe praatten over wielrennen. Hij was afgehaakt. Wielrennen was van mannen en zou altijd voor mannen blijven.

1984. In de draaimolen wilde ik op het wielrenfietsje. Als meisje.

1986: mijn stuur moest naar beneden staan, net zoals wielrenners hadden. Op mijn meisjesfiets.

1987: ik wilde op wielrennen, maar mijn ouders vonden dat wat vroeg. Ik was zeven en ging op voetbal. Mijn meester vond dat maar niks. En als ik met mijn meisjesteam (heel bijzonder destijds!) won van jongens uit mijn klas, kregen de jongens te horen hoe erg dat was. Dat ze zich moesten schamen. Voetbal was voor mannen volgens mijn meester.

En toen, toen was het 1991. Ik mocht op wielrennen. Als meisje. Ik kende niemand die dat deed, mijn droom kwam uit. Een racefiets, een helm, gesponsorde kleding, 'toeclips'. Fietsen op een skeelerbaan in Zwolle. Fietsen op een wielerbaan in Almelo. Wedstrijden in Hengelo, Hardenberg, Oldenzaal, Nijverdal. Een trainingskamp in Zuid-Limburg.
Toeclips werden vervangen door clickpedalen. Mijn fiets veranderde van een 'Benotto' naar een 'Colnago'. Mijn helm moest glimmen. Wat een plezier had ik op mijn fiets. Meiden en jongens gemengd. In mijn categorie fietsten meestal meer meisjes mee dan jongens.

Door vervelende omstandigheden moest ik stoppen met fietsen. Maar mijn fascinatie voor het wielrennen bleef.

Een tweedaagse reis naar de Champs-Élysées om Miguel Indurain in het geel te zien. Waar andere pubermeisjes gilden bij Take That, werd ik stil van een man in het geel op een fiets. Als meisje.

Na de Tour volgden de rondjes om de kerk met toppers uit de tour. Ik sta als zestienjarige op de foto met mannen als Mario Cipollini, Jan Ullrich, Tony Rominger, Michael Boogerd en Leon van Bon. Ik, als meisje.

Leontien van Moorsel was mijn voorbeeld.

In 1998 bedwong ik, als jonge vrouw, nog met een grote groep mensen onder leiding van Hennie Kuiper de Alpe d'Huez.
Daarna verloor ik de interesse een beetje, maar ik bleef de Tour trouw. 

En terwijl ik dit typ, wordt er een Alpenetappe gereden. En ik kijk. Als vrouw. En boven op zolder staat mijn wielrenfiets. Ik voel me te dik, ik vind het wat eng. Maar ik ga hem ooit weer gebruiken. Als vrouw.

Anna van der Breggen wint vandaag de Giro. Ik denk dat de meneer van het stukje boos is. Het werd namelijk gemeld tijdens de uitzending van de Tour de France. En dat is voor mannen. En als ik er zo over nadenk: hij heeft gelijk. Het is een mannensport. En dat zal het altijd blijven. Hoe heb ik het bovenstaande óóit durven doen. Als meisje. Als vrouw.


Sorry meneer!

zaterdag 18 februari 2017

De depressiedeal

Gisteren zag ik het woord 'depressiedeal' voorbijkomen. Van een woord als 'depressiegala' keek ik niet meer op, maar dat deed ik dus wél bij het woord 'depressiedeal'. Ik scande de stukjes. Ik las 'Schippers' en '30% minder' en meer had mijn depressieve geest niet nodig om er iets geheel eigens van te maken.

Want zeg nou zelf: bij het woord 'deal' denk je aan Teeven óf aan Linda de Mol. En laat mij nu net bij die laatste zijn blijven hangen...

Want wie kent het nu niet? De persoon die bij Linda staat en steeds koffers moet openen en dan moet beslissen of hij of zij akkoord gaat met de deal. Veel was er niet nodig voor mijn op hol geslagen geest:  '30% werden dertig zwarte (depressie hè?) Koffers. De zaal met uitzinnige mensen uit Kootwijk, Beverwijk en Alblasserdam, werden vervangen door 500 (gediagnosticeerde!) depressieve mensen. Door allemaal feitenvragen over depressie (symptomen, medicatie en bijwerkingen, percentages en ziekteverloop) blijft er één dolgelukkige depressieveling over. En deze mag met Linda de koffers gaan openen. Als je een koffer hebt geopend, is deze weggespeeld en zit deze niet meer in het spel. Zo is het bij miljoenenjacht bijvoorbeeld jammer als de vijf miljoen eruit wordt gespeeld, bij Depressiejacht is het dan weer jammer als de koffer met 'een depressievrij leven' geopend wordt.

Ik zie het zó voor me: Linda, héél enthousiast, 'en? Met welke koffer begin je?' '13' zegt de depressieve gast. De zwarte koffer wordt geopend door een GGZ-werknemer. 'Ach, wat jammer gilt Linda uit': 'EEN HEEL LEVEN GRATIS BENZO'S', heb je weggespeeld. Welke wil je nu?
'18 dan maar' verzucht de depressieveling. 'Nou,nou, niet zo somber'  lacht Linda. 'Dit is echt jouw momentje hoor.' 18 wordt geopend en 'het is fijn dat die eruit is', roept Linda. EEN GESLAAGDE SUÏCIDE zit niét meer in het spel. De depressieveling baalt.

Ook de NOOIT MEER OP EEN WACHTLIJST BIJ DE GGZ verlaat het spel evenals ALLEEN NOG SOMS EEN WINTERDEPRESSIE. De koffers raken op en de bank doet een voorstel: 30% MINDER DEPRESSIES ÉN VOOR DE HELE ZAAL ECT'. 

De depressieveling drukt op 'deal'. Keuzes maken kan hij niet en eigenlijk interesseert niks hem meer.
Linda is in extase. Ze wil nog roepen 'zie die blije gezichtjes dan', maar ze weet het in te slikken. 

Ja. Ik heb er zin in!

dinsdag 27 december 2016

En met je gezin dan?



Toen ik eindelijk zo ver was dat ik mensen durfde te vertellen dat het ‘niet echt lekker ging ’en ik ‘eigenlijk wel depressief was’, kreeg ik natuurlijk reacties. Heel fijne reacties (wat ellendig, ik hoop dat het snel beter gaat, kan ik wat voor je doen?) en ook wel wat minder fijne reacties (‘Nou, de zon gaat gelukkig schijnen en dan spreken we gewoon ná je depressie weer af!’). Ook kreeg ik regelmatig de vraag hoe het met mijn partner en de kinderen ging. Eerlijk gezegd kon het me helemaal niet schelen hoe het met ze ging. Níks kon me schelen, dus zelfs het welzijn van de belangrijkste mensen in mijn leven, interesseerde mij niet. Omdat ik depressief was en niet compleet gek, zei ik niet: ‘Geen idee en het maakt me ook geen reet uit hoe het met ze gaat’, maar zei ik: ‘Ja, voor hen is het natuurlijk ook heel zwaar.’ Dat bleek altijd een juist antwoord zag ik aan de meelevende ja-knikkende hoofden.

Als ik een beetje energie had en mailtjes las van school, als ik een stukje mee ging wandelen, als ik ze hoorde praten, als ik mensen sprak over mijn gezin, merkte ik natuurlijk dat het ook heel zwaar voor ze was. Vreselijk vond ik dat dan op die momenten. Tot de depressie mij weer overnam en ik alles weer passief liet gebeuren.

Naarmate de tijd verstreek, werd er steeds vaker naar mijn man en kinderen gevraagd. Dat varieerde van: ‘Ken je KOPP-groepen voor kinderen?’ (Ja, en daar gaan ze niet naartoe) tot ‘Ben je niet bang dat je man je verlaat?’ (ehh. Nee.) of: ’Ben je niet bang dat de kinderen hier last van gaan krijgen?’ (ehh. Ja) Ik zag dat ik niet opknapte. Ik zag de wanhoop van mijn man. De verwijdering tussen mij en de kinderen. Ik zei af en toe  -quasi grappig- tegen mijn partner dat hij niet te veel moest omgaan met vrouwen ‘die hem heel goed begrepen’ en ‘met wie hij heel goed kon praten’. Op goede dagen knuffelde ik mijn kinderen kapot en probeerde zoveel mogelijk naar hun verhalen te luisteren en er als moeder voor ze te zijn. 

Natuurlijk dacht ik aan de verhalen die ik wel eens hoorde ‘Mijn moeder lag vroeger altijd depressief op bed’. Dat schrikbeeld. Dát zou ik mijn kinderen toch nooit aandoen? Maar dat was dus wél wat er nu gebeurde: ik lag depressief in bed. Veel en vaak. Maar deed ík dat mijn kinderen aan? Dat zou ik toch nooit doen? Niet ík deed mijn kinderen dat aan, maar de ziekte, de depressie deed dat ons aan. Toch?

De opmerkingen van omstanders hielpen me dan vaak ook niet. Eén van de kenmerken van een depressie is het continue schuldgevoel over van álles. Ik voelde me constant schuldig. Over de depressie, over mijn stomme gedrag, over alle keuzes die ik in mijn leven had gemaakt, over de verkeerde Optimel die ik had gekocht, over de wéér vergeten ouderavond. 

Een kennis die dan terloops opmerkte ‘dat dit ook heus niet leuk was voor mijn gezin’ kon ik dan eigenlijk ook wel wat aandoen, maar goed: ik had een depressie en dus geen energie voor slaan, schoppen of schreeuwen.

We lijken te herstellen. Het ergste is achter de rug en ik heb steeds vaker ‘goede dagen’. Dagen die ik invul met leuke dingen. Met mijn gezin. Met praten over de slechte tijd die we hadden. Mijn man behandelt me niet meer als een ernstig zieke (nog wel als een herstellende zieke overigens) en de kinderen weten mij zowel in het echte leven als via Whats’App weer érg goed te vinden. Net als vroeger.

Terugkijkend kan ik stellen dat een ernstige depressie (en waarschijnlijk élke heftige ziekte) een gezin kan ontwrichten. Iedereen lijdt eronder. Een zieke dan ook steeds melden ‘dat het ook wel heel zwaar is voor het gezin’, is dan ook niet helpend. Een lasagne brengen naar dat gezin, of eens een was ophalen, de partner van de zieke een avond mee uit nemen, de kinderen eens verwennen is wél helpend. Voor iedereen. 

zaterdag 17 december 2016

Pillen



Of ik niet ‘iets’ moest gaan slikken. Het was de vraag van mijn eerste psycholoog naar wie ik een paar keer zou gaan. Niet nodig, zei ik. Gesprekken moesten voldoende zijn. Medicatie werkte volgens mij alleen bij lichamelijke ‘dingen’, niet bij zoiets als ik nu had.
Of ik niet iets moest gaan slikken. Dit keer kwam de vraag van mijn huisarts. En dit keer stemde ik toe. Het zou wel niets helpen, maar dan had ik het in ieder geval geprobeerd. Het hielp inderdaad niet, maar ik had wél het idee dat ik sommige dingen (zalen, treinen, hoogtes) minder eng vond, want ik was ook wat angstiger geworden de laatste tijd. Toch stopte ik met de antidepressiva, want wat konden die pillen nu aan míjn gedrag doen? En die angsten… ik moest gewoon normáál gaan doen, dan kwam het wel goed.

Dat ‘normaal doen’ ging niet echt lekker, want toen ik een tijdje later bij de crisisdienst zat en ik daar vroeg om rustgevende middelen, werd het een soort van koehandel met de psychiater: ik moest aan de antidepressiva en dán kreeg ik slaappillen. Prima. We hadden een deal. Na twee weken vond ik ook deze pillen niet werken (en ja, ik had gelezen dat de werking pas na vier weken zou kunnen intreden, maar ik was depressief. En dwars blijkbaar.) Beter werd het maar niet. Wel ging het steeds slechter. Gesprekken waren niet echt mogelijk: had ik geen zin in, want… depressief. Ik had nérgens zin in. Medicatie was blijkbaar voor de hulpverleners toch het toverwoord en ik ging weer overstag.  Dit keer zou ik opgenomen worden en ingesteld worden op een TCA. Transpireren (niet een beetje), maagklachten en moeite met plassen. De pillen deden dit keer écht wat. Maar mijn stemming bleef laag. De dosering werd opgehoogd en als klap op de vuurpijl kwam er Lithium bij. Dat vond ik vies en ik stopte met alles. Zomaar. Van de één op de andere dag. Ik raad dit bij deze overigens iedereen af.

Ik kreeg af en toe wat middelen om de weekenden wat verdoofd door te komen. Ik kreeg slaappillen. Ik kreeg rustgevende pillen. En wéér ging ik aan een SSRI. Al was het maar om die angsten weer wat minder te maken. Na een tijd kreeg ik ook hier weer een middel bij, om de werking te versterken. Ik werd er zó rustig van dat ik mezelf niet meer terug kende, ik stopte maar weer eens, maar bleef aan de vertrouwde pillen.

Vijf weken geleden: psychiaterbezoek. Of ik bijwerkingen had van deze pillen. Ik: ‘welnee’. Of ik sowieso lichamelijke klachten had? Ik noemde mijn lijstje. Dit wáren dus bijwerkingen volgens de arts. Ik mocht stoppen en kon naar wéér een ander middel. Ik twijfelde. Nog nooit in deze één jaar en tien maanden was mijn stemming veranderd door pillen. Mensen die zoveel baat hadden bij antidepressiva, wantrouwde ik zelfs. Als het bij mij niet werkte, waarom dan bij een ander wel? En Mike Boddé had vast gewoon geluk met zijn pil… Bij angst, daar hielp het misschien bij, maar bij stemming, dát moet toch echt door jezelf opgelost worden. Dat doet een pil niet voor je.

Twee weken geleden. Er was iets anders. Ik deed aardig tegen de mensen om me heen. Net zoals ‘vroeger’. Ik bedacht dat ik wat lekkers kon koken en zocht een goed recept. Ik vond het leuk (leuk! Ik!) om iets met mijn dochter te doen. Wat fijn om dat eens te hebben, zo’n dag. Apart dat wel. De dag erna en zelfs de dagen dáárna bleef dit dus gewoon doorgaan. De wereld was veranderd. De lucht was blauw en dat was die toch werkelijk al één jaar en tien maanden niet geweest.  Mensen lachten naar me. Dat hadden ze al één jaar en tien maanden niet gedaan. Mensen vroegen aan me wat er met me was. Er leek iets ‘zwaars’ bij me weg te zijn. Er werd geopperd: komt dit door de medicatie? Wat uitzoekwerk, gevraag en gegoogel leerde mij dat dit best eens door de pillen kon komen. Ik wil eigenlijk stoppen, gewoon om te kijken of dit het werk is geweest van de ‘Venlafaxine’. Maar gezien de dreigementen die daaruit voortvloeiden (van scheiden tot hartaantvallen veroorzaken), doe ik dat dus maar even niet. Zou het dan echt zo zijn? Dat een pil mij weer tot een normaal, gezellig en best vrolijk persoon maakt? Als dat zo is, durf ik te stellen dat ik best heel ziek ben geweest. Dat ik niet normaal kón doen en dat ik gewoon genees door medicatie. Inderdaad. Net zoals bij lichamelijke ziektes vaak het geval is.

zondag 20 november 2016

de borderliner



De borderliner

Ik zag hem nog maar weinig. Één van die keren dat ik hem zag, was met mijn verjaardag, al best wat jaren geleden. De sfeer wat gespannen: hoe zou hij doen? Wat doet hij überhaupt momenteel? Zou hij wéér een andere baan hebben? Of een ander huis?
Hij had een nieuwe vriendin dit keer. En nog voordat de sfeer er enigszins in zou kunnen komen, had hij hem alweer verpest. ‘Ik heb haar ten huwelijk gevraagd en ze wil’. We keken waarschijnlijk allemaal met open mond naar hem en naar onze aanstaande schoonzus/ schoondochter. Een leuke meid, een mooie meid, een jonge meid. Één die héél graag héél jong wilde trouwen. Het was hem weer gelukt: ons compleet verrassen met een onverwacht nieuw plan.

We deden er –ondanks dat we ons zorgen maakten- vaak wat lacherig over. Hoe kreeg hij het voor elkaar? Steeds nieuwe banen, opleidingen, nieuwe woningen, nieuwe vrienden. De oude baan was achteraf altijd het meest waardeloze wat hij gedaan had. Het nieuwe was het meest fantastische wat hij ooit zou doen. Ook dít gold altijd voor huizen, werkgevers en vrienden. Ze waren álles. En wat later waren ze niets.

Nadat zijn ‘verloving’ verbroken was, volgden er nieuwe relaties en banen. Het gokken, wat in casino’s gebeurde, maakte plaats voor online pokeren. Soms hoorden we iets, maar steeds vaker hoorden we niks. Ik volgde hem online. Ik las rake columns van zijn hand en zag dat hij goktoernooien won. Hij ging regelmatig naar Las Vegas als verslaggever. En ineens was hij weg. Weg van het internet (waar hij ook volop gezocht werd), weg bij zijn nieuwe vriendin. Hij was verdwenen. We hadden hem al eens uit Amerika opgehaald en deden dat dit keer niet uit Thailand, waar hij bleek te zitten. Ook hierna verdween hij weer van de radar, maar dit keer kregen we na lange tijd bericht dat ons enigszins hoopvol stemde: hij had een behandeling gehad voor zijn gokverslaving en hij was nu, via het Leger des Heils aan een woning gekomen in de ‘middle of nowhere’. Ver weg van de grote stad, weg van de verleidingen. We hielpen hem aan spullen, aan wat geld. Alles voor een nieuwe start.

Toch bleek in de loop der tijd dat zijn verslaving niet zijn hoofdprobleem was. Hij bleek naast ‘een verslaafde’ ook ‘een borderliner’ en ‘een narcist’ te zijn. En laat daar nou nét allemaal eigenschappen bij horen waarop ík níet zat te wachten. Hij keek neer op mijn burgerlijke leven. Hij voelde zich slimmer dan mijn man. Hij dreigde continu met suïcide. Hij verkocht de door ons gekochte spullen om weer te gokken.

Ik had hier geen zin in. Hij gooide zijn problemen op zijn beroerde jeugd. Ik vond dat ik hetzelfde mee had gemaakt en: ik deed toch ook 'normaal'?. Ik noemde hem de borderliner met elf van de negen kenmerken die bij deze stoornis hoorde. Ik noemde hem de narcist. En ik noemde hem de verslaafde. En op het laatst was hij óók nog eens depressief. Een depressieve, narcistische, verslaafde borderliner. Ik zag niks goeds meer in hem. En vervolgens in niemand die ook één van deze etiketten opgeplakt had gekregen. Ik schreef ze af. Ik stigmatiseerde. Ze waren in mijn ogen allemaal hetzelfde: niet meer te redden personen door psychische problematiek.

‘Gelukkig’ kreeg ik een depressie en door mijn opname hiervoor ontmoette ik mensen met depressies, persoonlijkheidsstoornissen en verslavingen. Ik leerde veel en zag dat iedereen anders was en dat mensen niet bepaald zelf kozen om iets te krijgen. Een goede les. Een dure les.

Ruim twee jaar geleden: politie aan de deur. Hij was dood. Er was een brief.
Niet de borderliner was dood, maar mijn broertje. Mijn broertje mét een gokverslaving, een borderlinepersoonlijkheidsstoornis en een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Hij werd dertig jaar.

Wat had ik graag wat eerder meer begrip willen opbrengen voor zijn situatie. En wat had ik hem gewoon willen zeggen: wat erg voor je, ik ben er voor je, ik snap je en ik wil je helpen. Helaas. Ik kwam te laat tot dit inzicht: iemand ís niet zijn stoornis, iemand hééft een stoornis.

dinsdag 4 oktober 2016

depressiecampagne

Ik was erbij in Amsterdam toen minister Schippers aankondigde geld uit te geven aan 'depressies'. Ik las de laatste tijd tweets van wat enthousiaste psychiaters en wist dus al een tijdje: er komt een depressiecampagne aan. Ik kon me er weinig bij voorstellen. Hoe zou het eruit gaan zien? 'Heb jij 'm al, de nieuwste winterdepressie? of: Ik heb een depressie, en jij? En dat dan vergezeld van foto's van uitdagend kijkende, mooie mensen. En ze zouden dan óveral in bushokjes hangen. 

Ik vreesde een beetje dat door de campagne depressie een modeziekte zou gaan worden, want sinds ik 'uit de kast' ben met mijn depressie, ken ik ineens heel veel mensen die mij durfden te vertellen dat zij 'ook wel eens een depressie hadden'. Soms zelfs wel een hele week!... Wat zou zo'n campagne dan wel niet gaan doen?

Het lijkt alsof ik er flink over had nagedacht, maar bovenstaande zaken schoten door mijn hoofd bij het lezen over de campagne. De campagne werd vorige week gelanceerd, zo kreeg ik mee op Twitter. Ik zag de laatste twee seconden van een filmpje tijdens het reclameblok afgelopen week, ik las meningen over de campagne en ook nog een open brief erover in de krant. 

En ineens was 'ie daar: De Vraag. Hoe zou het er voor míj hebben uitgezien als ik de campagne twee jaar geleden had meegekregen? Ik behoorde toen nog tot de doelgroep ( vrouw van 34). Had ik mijn eigen symptomen herkend? Was ik überhaupt naar de site gegaan om te kijken voor meer informatie? Of was ik daar te depressief voor? Dat laatste lijkt me nu aannemelijk. Maar als dat zo was: had mijn man wat aan de spotjes gehad? Of mijn familie of mijn vrienden?

Ik vraag het me nu een paar dagen af en ik weet het antwoord nog niet. Wel denk ik dat het de schaamte had verkleind. Want als het zelfs op tv is, dan is het toch helemaal niet raar om een depressie te hebben? Destijds dacht ik dat in zo ongeveer de enige was op de wereld die niet meer uit bed wilde komen en niet meer onder de mensen wilde zijn. Ook mijn familie googelde zich suf op de term 'depressie', nadat die diagnose eindelijk gesteld was. Misschien had deze campagne ze sneller op een spoor gezet i.p.v. maanden wachten tot ik eindelijk durfde te zeggen dat ik ze vermeed, negeerde, links liet liggen, omdat ik dus een depressie had. 

Vandaag bekeek ik een filmpje van de campagne. Het filmpje van de jonge vrouw, een dertiger. Ik keek. En bij het sluiten van de gordijnen en het liggen in bed, kwamen ze: dikke tranen. Onaangekondigd dropen ze langs mijn wangen. Die vrouw had een depressie, net als ik.

En ik vroeg me meteen weer af: zou het mij destijds wat hebben kunnen bieden? Misschien wel. De gelijkheid tussen het filmpje en mijzelf is net te groot om te negeren. En de gelijkenis tussen die vrouw en hoe ik me nu voel ook. Ik zou toch niet wéér/ nog steeds een depressie hebben? Ik hoop het niet.... En zo wel: mijn familie en vrienden zien die spotjes óók en kunnen me vast sneller helpen. Zo.


https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2016/09/25/landelijke-campagne-moet-taboe-op-depressie-wegnemen

vrijdag 30 september 2016

column: herstellen van een depressie



Herstellen van een depressie: hoe doe je dat?

Als je denkt dat ik daar nu een antwoord op ga geven: nee. Het is juist een vraag. Een vraag aan mezelf. Ik weet namelijk niet hoe je herstelt van een depressie. Hoe ík herstel van een depressie. Ik roep het wel hoor, dat ik aan het herstellen ben. Want nu ik mij weer buiten instellingen en mijn bed begeef, kom ik weer mensen in het echte leven tegen. En die mensen willen dan weten hoe het gaat. En ik vind dat een volkomen terechte, normale en ook best sociale vraag.

Maar dan begint de ellende.

Ik zeg dat ik herstel van een diepe depressie. Dat ik alles weer langzaam opbouw. Behalve de medicatie. Die is afgebouwd. Er wordt gehumd, ge-oh-jaad, geknikt en geglimlacht. En er wordt gezegd dat ik inderdaad rustig aan moet doen. En dat ik goed bezig ben. En dat we vooral snel moeten afspreken. Maar natuurlijk op míjn tijd. Het zijn goedbedoelde reacties. Eigenlijk zijn het gewoon goede reacties. Ik zou zelf precies hetzelfde zeggen.

Soms zitten er reacties bij waarvan ik wat jeuk krijg. Maar ook deze reacties zijn heel goed bedoeld. Dat ik me nu weer op de kinderen kan richten (dat probeerde ik altijd al!). En op mijn relatie. Dat ik niet de oude moet worden, maar de versie 2.0 (en daar wordt steevast bij gelachen, door de ander dus. ) en dat het vanaf nu alleen maar beter kan gaan (terwijl ik nu juist wéét wat er fout kan gaan in een leven).

Maar ik herstel dus. En ik wéét –nadat het tachtig keer door 74 verschillende mensen gezegd is- dat het geen rechte stijgende lijn is. Ik wéét dat het met stapjes gaat. Ik wéét dat het langzamer gaat ‘dan ik zou willen’. Ik wéét dat als je van ver komt, je geduld moet hebben.

Maar ik herstel dus. Ik kook weer soms. Ik haal kinderen op van plekken. Of breng ze ergens naartoe. Ik spreek af met vrienden. Ik bezoek zelfs weer ouderavonden. Ik lijk soms wel weer normaal (en dan alsjeblieft niet komen met de vraag: wat is ‘normaal’ dan in jouw ogen?).

Maar ik herstel dus. Ik kijk naar de toekomst: mijn werk stopt, misschien vloeien daaruit financiële moeilijkheden, de angst dat ik wéér in een diepe depressie val. Dat zwarte gat dus. Eh. Ik bedoel natuurlijk: allemaal kansen en mogelijkheden liggen open voor mij in de toekomst.

Maar ik herstel dus. En ik kijk terug en voel pijn over alles wat er is gebeurd. De opnames, het niet meer willen leven, het niet willen accepteren van mijn depressie door schaamte- en schuldgevoel, het niet willen accepteren van hulp, want: ík had dat niet nodig. Het missen van verschillende grote gebeurtenissen. De pijn die mijn kinderen, man en familie hebben gevoeld door mij. De wanhoop. De apathie. De onschuld waarin ik leefde (pluk de dag! Hooray for today! Het leven is een feestje!) compleet verloren.

Dat herstellen: ik vind dat maar ongelooflijk zwaar.

Maar, er is nog hoop. Van de week zei mijn psycholoog namelijk nog: ‘maar jíj ziet dat zo negatief, want je hebt een depressie’.  Misschien blijk ik dus nog gewoon in een depressie te zitten en als ik straks écht herstel, blijkt dat gewoon fijn te zijn.